Met rebellenleider Titus (in het midden)... en FC Twente shawl.
Onderweg naar de top.
Stijlle wanden maakten de klim pittig.
Het was zwaar maar een fantastische omgeving.
De bekende oversteek... niet naar beneden kijken.
Het is weer gelukt.
Het team waarmee we de Carstensz hebben beklommen.
07-06-2013

“Bij Titus en de Papoea’s ben je compleet van de wereld”

See video

In mei beklom Remon zijn tweede berg dit jaar. Bleef hij op de Aconcagua nog iets onder de top steken, in Indonesië bereikte onze avonturier wel het hoogste punt van de hoogste berg van Oceanië de Carstensz.

“We hebben veertien dagen geen Westerlingen gezien, alleen onze twintig begeleiders. Dani’s, een van de twee Papoea-stammen. Een hele belevenis, dat kun je wel zeggen”, lacht Remon, weer thuis in de vertrouwde blokhut in zijn tuin in Hoogblokland.

Het avontuur begon op donderdag 2 mei. Vanuit Amsterdam vloog hij met Singapore Airlines naar Denpasar op het Indonesische eiland Bali. “De in totaal acht klimmers waren in verschillende groepjes naar Bali gevlogen. We hadden elkaar al ontmoet tijdens een klimtraining van de Belgische organisatie Oceanic Expeditions in de Ardennen. In Kuta, een badplaats met alleen dronken Australiërs, was er een overnachting om vervolgens met een grote charter naar Timika te vliegen.”

De acht bergbeklimmers tellende groep stond onder leiding van de Belg Johnny Peeters. Marjolein en Gerry (twee KLM-Pursers); Hans (oud-directeur van een TBS-kliniek en nu berggids), Bert (directeur garnalenkwekerij), Joost (directeur geneeskunde), de Belg Dirk (voormalig marinier en nu dakdekker), Remons slapie Felix (ondernemer en waarmee Remon al de Elbrus heeft beklommen) en Remon zelf.

Geen Permit
Remon en zijn klimgenoten zaten gelijk in een andere wereld. “Het was zondagmorgen heel vroeg, maar op de locale markt was het een drukte van belang. Bloedheet ook en de uitlaatgassen van de brommertjes deden er nog een schepje bovenop. Veel tweedehandskleding waarin de kopers naar hartenlust graaiden. We keken onze ogen uit. Onze reisleider Johnny Peeters had voor de vervolgtrip naar Ilaga een sportvliegtuigje geregeld. Anderhalfuur vliegen en we zaten middenin in het oerwoud. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. De overheidsinstanties in Jakarta hadden ons wel toestemming gegeven, maar de locale politie van Ilaga niet. “No Permit”, werd ons verteld. En wel, omdat men onze veiligheid niet kon garanderen. De afgelopen tijd leefden de twee Papoea-stammen in onmin met elkaar. De Dani’s en de Lani’s hadden stevig gevochten en er waren zelfs doden gevallen. Normaal gesproken schakelde Johnny beide stammen in, om de klimmers naar het basiskamp te brengen. Een tocht van ongeveer vier dagen. Maar nu we niet door het land van de Lani’s mochten, was goede raad duur en niet zonder risico.”

Rebellenleider Titus
Maar onder leiding van Johnny besloot de groep toch de reis voort te zetten. “Officieel hadden we geen toestemming en zouden we in feite onverrichter zaken terug moeten keren of wachten tot er wel een zogenaamde permit werd afgegeven. In overleg met de contactpersoon van de Dani’s, zouden we ons na de landing op Ilaga niet melden, maar direct het oerwoud in duiken. Zo gezegd, zo gedaan en we werden keurig opgevangen door een paar Dani Papoea’s. Na een uur lopen arriveerden we in een klein dorpje, waar alle spullen werden gecontroleerd. We wisten niet waarom, niet veel later wel. We zouden de grote rebellenleider van de Dani’s ontmoeten. Titus was zijn naam. In tegenstelling tot wij verwachtten, was Titus geen grote sterke vent maar een oud teer mannetje. Hij was heel vriendelijk, zeker toen we hem een FC Twente shawl om deden. Zijn manschappen zagen er allemaal dreigend uit. Grote kapmessen en getooid met pijl en boog. Niet direct om oorlog te voeren, maar om een weg te banen in het oerwoud en natuurlijk om eenden of vogels te doden. De ouderen liepen met peniskokers, de jeugd niet. Die hadden versleten Adidas sportbroeken aan, maar sommigen weer wel met een botje door hun neus. Ze beschikten niet over elektriciteit en kenden dus geen televisie, radio, computer of welk Westers gemak dan ook. Ze waren wel gek op onze mobiele telefoons en camera’s. Ook horloges, hoewel ze geen klok nodig hebben, waren interessant.”

Oorlogssituatie
“Na rijp beraad en voor de veiligheid werd op advies van leider Titus de tocht naar het basiskamp gewijzigd. Niet over het land van de Lani’s, maar via een omweg alleen over het gebied van de Dani’s. We hadden geen keus, maar daardoor moesten we wel drie dagen langer klimmen. We begonnen als blinde kippen de volgende dag achter een twintigtal Dani’s te lopen. Achteraf in deze situatie best wel risicovol. Voor hetzelfde geld hadden ze ons ontvoerd en was er in deze oorlogssituatie om losgeld gevraagd. Maar Johnny vertrouwde de Dani’s en dat vertrouwen was wederzijds.”

De tocht was zwaar, maar goed te doen. “Het was in het tropisch regenwoud erg bedomd, heel vochtig ook. Een aparte wereld. Je gaat slapen als het donker wordt en je wordt wakker als de vogels beginnen te fluiten. De Dani’s kookten voor ons water en belegden het brood met de in Timika gekochte vertrouwde jam, pindakaas en chocopasta. We startten rond een uur of acht en liepen door tot tegen vier uur. Bij een watertje en wat bomen werd telkens ons kampje opgeslagen. De jongens kookten het eten en dat smaakte best. Voor de zekerheid had ik een doos Snelle Jelle’s meegenomen en zo’n reepje geeft toch wat extra voedingstoffen. Als beloning kregen onze helpers tijdens elke pauze een sigaretje. Veel verder dan een knikje om te bedanken kwamen we niet.”

Tape
Gelachen werd er natuurlijk ook. “Een eigen foto terugzien op een fotocamera vinden ze geweldig en daar genieten ze volop van. Op een gegeven moment had er een drager last van zijn knie. Toen we de zere knie hadden ingetapet was hij zo trots als een pauw. In no time liepen ze allemaal met witte tape op hun donkere benen. Ook de zilveren ducktape om de handvatten van hun prachtige messen, deed het goed. Zelf waren we blij met een lolly na afloop van een zware dag. Je verlegt je grenzen, water smaakt niet echt en dan is een lolly toch wel een versnapering waar je naar uitkijkt. Na de Nieuw-Zeelandpas, op 4500 meter hoogte, daalden we na zeven dagen af naar het op 4200 meter hoogte gelegen basiskamp.”

En toen stonden de acht Nederlanders er volkomen alleen voor. “Iedereen, ook Johnny, bleef achter. Via een vage kennis, Barnabas, zou ons klimgerei worden gebracht. Dat kon vrij simpel, want op anderhalfuur lopen was er een grote koper- en goudmijn. Geëxploiteerd door de Amerikanen, die er miljarden aan verdienen. Over de snelweg reden de grote vrachtwagens af en aan. In drie uur tijd was je in Timika, terwijl wij er door de jungle zeven dagen over hadden gedaan. Barnabas kwam zijn belofte niet na en dus konden wij de volgende dag niet naar de top. Na veel overleg en bellen, arriveerden aan het eind van de volgende dag toch onze klimspullen. Gelijktijdig met extra voedsel, want door de langere reis waren we aardig door onze voorraad heen”

800 meter diepte
In groepjes van twee vertrokken de zes klimmers op donderdag 16 mei naar de top van de Carstensz. “Twee klimmers, Joost en Marjolein, voelden zich fysiek niet sterk genoeg en bleven achter. Om half vijf, het was nog donker, vertrokken we. Toen het licht werd, zagen we de eerste touwen. Onze bewegwijzering voor de topdag. Dirk was onze durfal en ging telkens als eerste aan de touwen. Best wel link, want je wist niet hoe lang die touwen er al hingen. Eenmaal aan de overkant had Dirk zijn nieuwe touw gespannen en kon de rest ook “veilig” naar de overkant. Het overbruggen van een kloof van zeker 800 meter diepte over een afstand van soms twintig, dertig meter was geen uitzondering. De Tirolien-oversteek was de gevaarlijkste. Je moest over een gapend gat springen, weliswaar iets naar beneden en dan proberen je aan een bergrots vast te klampen. Gekkenwerk, achteraf. Na ruim acht uur, het was inmiddels half twee, bereikten we de top. Het was er boven koud, rond het vriespunt schatte ik in. Foto’s werden gemaakt en we daalden langzamerhand weer af.”

De groep viel uiteen. “Klassieke” fouten werden gemaakt. Er waren sateliet telefoons, maar we kenden elkaars nummers niet. Gerry was haar hoofdlamp vergeten en daalde samen met Hans voorzichtig terug. Iedereen was moe, zeiknat van de regen en wilde zo snel mogelijk terug naar het basiskamp. Felix en ik liepen in het midden. Tegen tien uur, het was al een paar uur donker, was iedereen weer in het basiskamp. Helaas konden we nog steeds niet over het land van de Lani’s terug en zou de enige optie zijn de lange route van zeven dagen door het oerwoud terug.”

Dit was fysiek en mentaal een te zware opgave, gelukkig konden we na langdurig overleg met de Dani's een “kortere “ weg nemen die uiteindelijk maar vier dagen duurde.

Eventjes werd nog overwogen om een helikopter te bestellen, die zou de vermoeide klimgeiten voor een slordige 2500 Euro per persoon oppikken en in Ilaga afzetten. Johnny wilde er niets van weten en wenste zijn goede relatie met de Papoea’s niet te grabbel gooien.

Hamburgers en friet
In Ilaga werden de achtergebleven spullen weer opgepikt en via Timika, lag de groep een dag later aan het zwembad in Kuta Beach. “We hielden ons niet in en bij een hardrock café genoten we van een colaatje of biertje en natuurlijk van friet en hele grote hamburgers. ’s Nachts kreeg iedereen natuurlijk last van dat veel te vette eten, maar lekker was het wel. Van de groep werd afscheid genomen, maar niet zonder de afspraak dat we ooit samen de Denali in Alaska gaan beklimmen. Ik ben er al geweest, maar niet meer dan dat. Bij het horen van het vervelende nieuws dat er vier Japanners waren verongelukt, heb ik in 2012 gelijk het vliegtuig weer terug naar Nederland genomen.”

Remon keerde, een ervaring rijker, drie weken later moe, 8 kilo lichter, maar voldaan en met een flinke baard terug op Hollandse bodem.

“Over acht weken loop ik mijn eerste marathon van dit jaar. Die van Reykjavik, met de Twins uit Volendam en Wim Verhoorn. In het najaar, ergens in november of december, wil ik nog een tweede lopen. Voor 2014 heb ik volop plannen, maar die zijn nog niet concreet genoeg om al te vertellen.”